Kracht ten goede – bijdrage Harry Wels

De volgende bijdrage van Harry Wels is uitgesproken tijdens de boekpresentatie van Kracht ten goede - Een filosofie van tijd, van Sander Griffioen.

Persoonlijke informatie Harry Wels

Harry Wels is opgeleid als organisatorische antropoloog. Zijn onderzoek is primair gericht op Zuid- en Zuidelijk Afrika en gaat over organisatiestructuren van samenwerking in de context van natuurbehoud en heeft betrekking op brede kwesties in Human-Animal studies. Wels is Research Fellow aan de Universiteit van Pretoria.


Bijdrage Kracht ten goede - Een filosofie van de tijd

Geachte professor Griffioen, geachte dames en heren,

Het is mij een eer en groot genoegen om hier een paar woorden te mogen spreken ter ere van de presentatie van het nieuwe boek van emeritus hoogleraar wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit Amsterdam Sander Griffioen, getiteld ‘Kracht ten goede’, waarbij de klok op de kaft op 11 uur staat in plaats van zo vaak tegenwoordig afgebeeld, vlak voor 12 uur.

Het ‘groot genoegen’ bestaat er onder andere uit dat ik professor Griffioen, die ik vanaf hier aan zal spreken als Sander, omdat we gewend zijn elkaar bij de voornaam te noemen, nog steeds tot de beste docenten van mijn opleiding antropologie aan de Vrije Universiteit reken. Dat is geen geringe prestatie met concurrenten als ‘Meneer Moesbergen’, de enige docent die ik nooit bij zijn voornaam heb genoemd, en Dick Kooiman. Toen ik mij in de jaren 1980 voorbereidde op het tentamen van Sander’s vak sociale filosofie voelde ik me voor één van de weinige keren in mijn opleiding ‘on top of things’. Ik had het gevoel dat ik nu écht iets te vertellen had en ook écht iets wist. Dat gevoel kan Sander je geven en dat is er door de jaren niet minder op geworden. Daarnaast dragen we momenteel allebei ondertussen bijna hetzelfde zwarte brilletje ;-).

Het valt me daarom niet licht om nu te proberen in dit korte tijdbestek toe te lichten waarom ik het niet met de strekking van Sander’s boek eens ben. Ik wil mijn korte betoog beginnen met het aanhalen van noot 2 op bladzijde 14, waar verwezen wordt naar een in bepaalde kringen bekende Bijbeltekst uit 1 Korinthe 13: ‘Dit is wat blijft: geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde’. Op bladzijde 262 van zijn boek haalt Sander een moment aan waarop wij met elkaar spraken over de vraag of hoop, één van de drie ‘blijvertjes’, nog wel op zijn plaats is in een wereld van klimaatcrises, biodiversiteitscrises en zo nog een paar crises? Ik pleitte toen voor ‘optimisme zonder hoop’, geïnspireerd door een column van Tommy Wieringa in de NRC. Sander bepleitte de variant ‘pessimisme met hoop’. Met andere woorden, ik betoogde dat nu er sterke, met goed fatsoen niet te ontkennen, wetenschappelijk aanwijzingen zijn dat er in de klimaatcrisis inmiddels ‘points of no return’ lijken te zijn bereikt in de gecombineerde klimaat- en biodiversiteitscrises (de zogenaamde ‘tipping points’), we juist nú zouden moeten tonen wat we waard zijn door ondanks die aanwijzingen toch door te zetten om ernaar te streven er een leefbaarder aarde van te maken en wel voor alle soorten. Dus niet het er bij laten zitten nu er toch geen redden meer aan is. Sander bepleitte naar mijn smaak weliswaar een acceptatie van de wetenschappelijke inzichten over die ‘tipping points’, maar blijft desondanks hoopvol. De combinatie van die twee, dus het accepteren van wetenschappelijke bewijzen uit de klimaatwetenschap en hoopvol blijven over ‘de kracht ten goede’, lijkt mij een opgave.

De afgelopen zondag op 75-jarige leeftijd overleden Franse socioloog, antropoloog en filosoof Bruno Latour, heeft de laatste jaren van zijn leven veel aandacht besteed aan het doordenken van wat de klimaatcrisis betekent voor de wereld en de aarde. Hij werd in dat denken enorm geïnspireerd door ‘Gaia hypothese’ van James Lovelock. Deze laatste ontwikkelde Lovelock in de jaren 1960. Voor deze Gaia hypothese kwam Lovelock met wetenschappelijk bewijs dat erop leek te wijzen dat de planeet aarde één zelfregulerend organisme is. Hij liet eerste wetenschappelijke resultaten zien hoe de organische wereld via feedback loops interacteert met de anorganische wereld en de atmosfeer manipuleert en daarmee leven op aarde mogelijk maakt. Het verstoren door de mens van die feedback loops, onder andere door meer CO2 uit te stoten dan door de organische wereld kan worden geabsorbeerd, brengt het leven op aarde zoals we dat kennen in gevaar. James Lovelock overleed eveneens dit jaar, op 26 juli, zijn verjaardag, op 103 –jarige leeftijd.

Terug naar noot 2, die over geloof, hoop en liefde.. Latour staat in zijn boek uit 2015 ‘Oog in oog met Gaia, acht lezingen over het Nieuwe Klimaat Regime’, in zijn eerste twee lezingen vrij uitgebreid stil bij het begrip ‘hoop’ en waarom dat een slechte raadgever zou zijn in deze tijden van klimaatcrisis. In zijn eerste lezing schrijft hij in de eerste plaats dat wij ons vanwege die ‘tipping points’ eigenlijk helemaal niet (meer) in een crisis bevinden die voorbij kan gaan. Hij schrijft op bladzijde 29 van de Nederlandse vertaling: ‘Het gaat niet over’ en ‘het is definitief’. Op diezelfde bladzijde schrijft hij een zin die al lijkt te anticiperen op deze dialoog met Sander’s boek: ‘In plaats van het te hebben over hoop, zouden we moeten nagaan of we niet een subtiele manier kunnen exploreren om te wanhopen; dat wil niet zeggen ‘alle hoop laten varen’, maar eerder ons niet meer uitsluitend verlaten op hoop in onze verwikkelingen met de verstrijkende tijd’. In zijn tweede lezing over het Nieuwe Klimaat Regime, op bladzijde 111 van de Nederlandse vertaling, stelt Latour dat hij deze reeks van acht lezingen over het Nieuwe Klimaatregime plaatst in het teken van Dante’s ‘sombere waarschuwing’: ‘Laat alle hoop varen’’. Hiermee lijken de stellingen ingenomen en lijken de drie schrijvers niet tot elkaar te komen. Toch hebben James Lovelock, Bruno Latour en Sander Griffioen iets gemeen dat het gesprek toch nog een verrassende wending zou kunnen geven kan geven en dat is een mate van beschaafd Eurocentrisme in hun redeneren en wetenschappelijke oriëntatie en referenties, ondanks het uitstapje van Sander naar Confucius. Alle drie lijken getuige hun referenties en bibliografie voornamelijk in een Europees intellectuele traditie, zo niet keurslijf te zitten; alle drie gebruiken voornamelijk namen van Europese onderzoekers en intellectuelen; alle drie lijken in een vergevorderd stadium van Europese beschaving en domesticatie te zitten; in alle drie lijkt alle ‘wildheid’ verdwenen. In ieder geval wordt er bij alle drie de auteurs met geen woord gerept over ‘wildheid’. De tegenstelling tussen ‘wildheid’ en ‘beschaving’ dient hierbij te worden opgevat zoals Raymond Corbey dat in een kritisch boek uit 1989 doet, waarin hij de Europese koloniale relatie met Afrika ziet als één tussen ‘Wildheid en Beschaving’, zoals de titel van zijn boek luidt. Europa’s koloniale expansie en beleid werden vaak gelegitimeerd als tevens een beschavingsoffensief. Er is geen plaats voor wildheid in beschaving. Beschaving temt en beheerst juist de wildheid. Beschaving heeft Cultuur, wildheid heeft Natuur, als dat onderscheid er iets toe doet, wat volgens Latour niet het geval is. 

Toch denk ik wellicht vreemd genoeg dat alle drie deze auteurs eigenlijk elk op hun eigen manier ‘drinken uit de bron van wildheid’. De ‘bezielde wereld’ waar James Lovelock en Latour voor pleiten, en waar indirect ook Sander voor pleit, is er één die in de zogenaamde ‘primitieve werelden’ al letterlijk sinds mensenheugenis in hun kosmologieën is verankerd. Het ‘primitieve wereldbeeld’ en het ‘archaïsch denken’ inspireert immers ook Sander schrijft hij op bladzijde 15. Volgens collega Steven Robins van de Universiteit van Stellenbosch, Zuid-Afrika, in een recent artikel in de Daily Maverick, mogen we in de Westerse wetenschap van geluk spreken en onze handen dichtknijpen dat juist deze ‘wilde en inheemse groepen’, vaak de méést gemarginaliseerde gemeenschappen in de samenlevingen waar ze wonen, zoals de San (voormalige ‘Bosjesmannen’) in Zuid-Afrika, maar zo ook de Aborigines in Australië en Indianen in Nood- en Zuid-Amerika de kennis van een vitale en bezielde aarde hebben weten te behouden. En ‘hebben weten te  behouden’ ‘against all odds’ van de Westerse koloniale geschiedenis en het geweld waarmee zij geacht werden en worden, hun ‘wildheid’ op te geven en ‘beschaafd’ te worden. In zuidelijk Afrika sprak men in dit verband van ‘wilde’ of ‘getemde’ Bosjesmannen. Op de ‘wilde’ Bosjesmannen mocht je in de weekenden als tijdverdrijf jagen. De ‘tamme’ mocht je exploiteren als spotgoedkope arbeid op de boerderijen. Daar werd de wildheid er wel uitgeramd. Eerst afgedaan, gebagatelliseerd en geridiculiseerd als ‘achterlijk’, ‘primitief’, ‘bijgelovig’, nu door de wetenschap omarmd eb gepresenteerd als nieuwe inzichten in de wetenschap zoals verwoord door de Lovelocks en Latours van deze wereld. Zou juist deze ‘wilde’ kijk op de wereld en aarde ons wellicht kunnen helpen met het een eerste invulling geven aan Latour’s oproep tot het ‘subtiel exploreren van de wanhoop’?

Jay Griffiths schrijft in haar boek uit 2006 ‘Wild. An elemental journey’, over deze ‘wilde’ wereldbeelden. Ze beschrijft deze wildheid op de bladzijden 147-149 in termen van ‘radical kindness’. Het zelfstandig naamwoord ‘wild’ komt volgens Griffiths etymologisch van het Angelsaksische ‘ge-cynd’, wat zo veel betekent als ‘van nature vriendelijk’. Wild is het meest natuurlijke en daarmee een vorm van radicale vriendelijkheid jegens Moeder Aarde. 35.000 jaar ‘wildheid’ van de San in zuidelijk Afrika hebben geen blijvende sporen van hen nagelaten. Waar de Westerse samenlevingen het in ruwweg 150 jaar voor elkaar krijgen een tijdperk tot ‘Antropoceen’ te laten verworden, hebben de San mét de aarde geleefd. Ik zou zo ver durven te gaan dat het woord ‘liefde’ hier op zijn plaats is: De San leefde in liefde samen met de aarde. Deze gedachte en interpretatie kan ons wellicht terugbrengen naar noot twee op bladzijde 14 van Sander’s boek: Waar Sander een zeer beschaafd boek heeft geschreven over waarom hoop een ‘blijvertje’ is, pleit ik voor een heel wild boek waarin de liefde uiteindelijk de grootste is. Dat geloof en hoop mag je van me houden, kunnen me gestolen worden. De ongetemde wilde liefde voor Moeder Aarde zal ons wellicht leren met de wanhoop van Gaia om te gaan.    

Dames en heren, Sander en ik wonen gelukkig dicht bij elkaar en ik hoop, ja toch nog ;-), dat wij ons gesprek nog lang mogen voortzetten.

Boekinformatie

Kracht ten goede van Sander Griffioen is een intrigerend filosofisch werk dat je meeneemt in een reis door de tijd. Griffioen schrijft dat we niet bang hoeven te zijn voor de tijd. Hij laat zien dat tijd een kracht ten goede is. De auteur biedt een waaier aan vragen en gedachten: kunnen we ontkomen aan de tirannie van de klok? Welke rol speelt God in de tijd en hoe verhouden kwaad en goed zich tot de tijd? Griffioen heeft aandacht voor het kleine, zoals bloeiende appelbomen en zingende kinderen, maar ook voor de betekenis van tijd in het licht van het onmetelijke universum. De tekst is subtiel en gelaagd. Goede filosofie gaat immers langzaam!